Gedrag en temperament van honden (4)
Auteur: Drs. Hennie J.C. Dubbeldam
Erfelijkheid en omgevingsfactoren zijn onderwerpen waar sommige deskundigen maar niet genoeg van kunnen krijgen. Wat telt het zwaarst, wat is het duidelijkst zichtbaar, dat zijn vragen die ethologen al jaren lang bezighouden. Het is dan ook een onderwerp dat de gemoederen wel tot in lengte van dagen zal beroeren en waarop vooral (professionele) fokkers vaak een heel eigen kijk hebben.
In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat het gedrag van honden (en elk ander levend wezen) een optelsom is van omgevings- en genetische invloeden.
De genetische invloeden zorgen voor een vóórprogrammering van gedrag; dat wil zeggen dat ze samen met de omgevingsfactoren de aanleg van zenuwcellen en de verbindingen ertussen 'sturen'. In samenhang met de omgevingsinvloeden (o.a. de leereffecten) ontwikkelt zich uit de voorprogrammering een aantal gedragsprogramma's/patronen. Dit klinkt wat ingewikkeld maar laat zich nog het beste uitleggen in een eenvoudig schemaatje:
G ( genotype, de erfelijke aspecten dus) + O (de omgevingsinvloeden) + GO ( de wisselwerking tussen erfelijkheid en omgevingsinvloeden) = F ( fenotype, ofwel dat wat we uiterlijk waarnemen).
Puur erfelijk of puur aangeboren gedrag bestaat niet...
Dit betekent dus dat elk gedrag een genetische basis heeft en ook onder invloed staat van omgevingsfactoren. Puur erfelijk gedrag of puur aangeboren gedrag bestaat dus niet.
Jammer voor sommige gedragstherapeuten en fokkers, want dit zou een aantal keuzes behoorlijk versimpelen hetgeen voor sommigen een weldadig uitgangspunt is. De genetische programma's - of patronen zo je wilt - geven richting aan de ontwikkeling van het gedrag van de hond. Ze bepalen daarnaast in samenhang met de omgevingsinvloeden gevoeligheden van de hond voor prikkelsituaties. Er zijn zeer veel genen (erfelijk materiaal) betrokken bij de ontwikkeling en het sturen van gedragsprogramma's. Het ontwikkelde gedrag van je hond kan door in- en uitwendige prikkels opgeroepen en gestuurd worden. Een en ander wordt geregeld in het (centrale en perifere) zenuwstelsel van de hond.
Als je dus naar een hond kijkt zie je het fenotype en nooit het genotype. En het is ook niet mogelijk naar één hond kijkend, een indruk te krijgen van het genotype, ook al zou men dat graag willen ten behoeve van de fokkerij. Daarvoor is informatie nodig over de familieleden van de hond (ouders, nestgenoten, oudere broers en zusters etc). Als hier dezelfde kenmerken voorkomen is de kans groter, dat er een aanwijzing is dat er erfelijkheid in het spel is.
Maar nu komt er toch weer een addertje uit het gras: bij het inschatten van erfelijkheid (dus niet bewijzen) moet men bedenken dat overeenstemming in het gedrag tussen een teef en haar nakomelingen ook kan berusten op invloeden van de vroegste jeugd (van de teef), met name in de socialisatieperiode (zie eerder artikel) en eventueel daarna.
De teef kan bijvoorbeeld een voorbeeld zijn voor haar pups. Dat zie je nogal eens bij angstige teven, die door hun voorbeeld ervoor zorgen dat hun pups in bepaalde situaties ook angstig worden. Dit is een voorbeeld van een zogenaamd maternaal (de moeder betreffend) effect.
Echt concrete aanwijzingen voor erfelijkheid van gedrag bij honden wordt aangetoond wanneer je de verschillende gedragseigenschappen van verschillende rassen met elkaar vergelijkt. Als het lukt om te selecteren op bepaald gedrag, dan is dat ook het bewijs dat dit een genetische basis heeft. Uit onderzoek is inmiddels gebleken dat bijvoorbeeld angst en agressie bij honden, maar ook andere kenmerken, een erfelijke basis hebben. Daarnaast vindt een zeer belangrijke vormende invloed plaats in de (primaire) socialisatiefase vanaf ongeveer de achtste tot de twaalfde week, en de fase daarna (secondaire socialisatiefase). Hele exacte begin- en eindmomenten zijn niet aan te geven; ze zijn er waarschijnlijk ook niet (zie eerder artikel maart 2003).
Onderzoek bij honden heeft uitgewezen dat vooral de primaire socialisatiefase een enorme invloed heeft op de wijze waarop de hond later met mogelijke stressoren (prikkels die stress kunnen veroorzaken) omgaat en ook hoe een hond met mens en (ander) dier omgaat.
Bij onvoldoende socialisatie krijgen we zeer vaak problemen, dat wil zeggen: we kunnen een qua aanleg in principe uitstekende hond aantreffen, die een onvoldoende socialisatie heeft doorgemaakt aan mensen en daardoor een zgn. kennelsyndroom heeft opgelopen: de hond gedraagt zich angstig naar mensen toe.
Maar ook hier geldt: hoe ernstig een slechte socialisatie ingrijpt bij een hond is deels rasafhankelijk, en ook afhankelijk van de rest van de omgeving van de jonge hond. Als er te weinig socialisatie plaats vindt in een te arme omgeving, dan mag een rampzalig resultaat verwacht worden. Het resultaat zal in zijn algemeenheid nog ernstiger zijn als de pups het resultaat zijn van een paring tussen bange ouders.
Met het voorgaande hoop ik duidelijk te hebben gemaakt hoe belangrijk het is gedrag van honden naar hun echte waarde te schatten en te interpreteren, en tevens het belang in te zien dat een hond kwaliteiten en beperkingen met zich meedraagt. Daarnaast is het hopelijk duidelijk wat het belang is van de mens, niet alleen als onderzoeker naar het gedrag van honden en het interpreteren hiervan, maar vooral ook als houder en hoeder van ons zo geliefde huisdier.