Terug naar hoofdinhoud

Gedrag en temperament van hond (2)

Auteur: Drs. Hennie J.C. Dubbeldam

Hondengedrag is een continue bezigheid, een reeks gebeurtenissen in de tijd. Wie het gedrag van de hond objectief wil waarnemen zal dat gedrag uiteen moeten leggen in feitelijk waar te nemen gedragselementen. Voorbeelden van dergelijke elementen zijn 'aanstaren' (strak aankijken van een hond/persoon), 'borstelen' (opzetten van haren op rug, op schoft of bij de staartwortel), 'deinzen' (snel afwendende beweging over korte afstand) en 'markeren ' (met geheven poot urineren). Gedragsbestudering geschiedt door het in kaart brengen en met elkaar in verband brengen van deze elementen. De combinatie van gedragselementen vormt het zichtbare gedrag.

Gedrag wordt veroorzaakt door functionele en/of oorzakelijke factoren. Gedragingen die qua functie en/of oorzaak bij elkaar (lijken te) horen worden een gedragssysteem genoemd. Het hangt van het bijpassende gedragssysteem af hoe een bepaald gedrag zich manifesteert. Neem bijvoorbeeld bijten. Waarom bijt een hond? Daar kunnen heel verschillende redenen voor zijn. Bijvoorbeeld omdat hij - door leerervaringen - weet dat het werkt, of hij bijt omdat hij zo zijn voer kan behouden (dit verwijst naar de functie van het bijtgedrag: waartoe het bijten dient).

Er kan ook een directe aanleiding zijn: iemand probeert het voer af te pakken. Je kunt het ook aldus bekijken: een hond kan nu eenmaal bijten, dat is door evolutie geselecteerd, mede omdat bijten succesvol blijkt om bepaalde belangen veilig te stellen.

Een gedragssysteem bestaat uit een aantal bij elkaar horende gedragselementen, die door gemeenschappelijke oorzakelijke factoren worden opgeroepen, dan wel qua functie bij elkaar horen.

De ene kwispel is de andere niet...
Het is best ingewikkeld. Neem het genoemde gedragselement bijten bijvoorbeeld. Dat komt voor bij spel, bij agressie en ook bij prooivangst. Dat zijn drie aparte gedragssystemen, met deels specifieke sturingscomponenten en met eigen functies en kenmerken. Agressief gedrag wordt onder andere beïnvloed door het hormoon testosteron, prooivangst gedrag niet.

Een ander voorbeeld van een gedragselement dat kan optreden in verschillende contexten is kwispelen. De ene kwispel is de andere niet. Wat je ziet aan gedragselement is nooit zo maar te duiden. Het moet met andere elementen in verband gebracht worden om betekenis te krijgen.

Gedrag van een hond wordt gecombineerd met een lichaamshouding (als onderdeel van de zgn. lichaamstaal). Die houding is een communicatiemiddel. Het zegt bijvoorbeeld iets over de dominantiepositie van de hond ten opzichte van een andere hond of persoon. Wie een relatief hogere houding laat zien dan de ander is dominant. Angst representeert zich juist door houdingsverlaging. Gaan de oren naar achteren en de staart een stukje omlaag dan is er sprake van lichte angst, ofwel onzekerheid. Als zich daarnaast het lichaam verlaagt, is de angst nog sterker. Met de staart tussen de benen of langs de buitenkant van een dij naar voren wordt duidelijk gemaakt dat het om grote angst gaat.

Samen overleven...
Dit is maar een voorbeeld, er staat de hond een reeks van gedragingen ten dienste om andere honden duidelijk te maken wat zijn gemoedstoestand is en dus welk gedrag hij kan gaan vertonen.

Als individuen in een groep samenleven, is het van belang om de verhoudingen zo te regelen dat ze samen kunnen overleven, nakomelingen kunnen produceren, en niet steeds onderling in conflict raken. Conflicten kosten tijd en energie, die nuttiger aan andere zaken kunnen worden besteed, bovendien kunnen ze zeer riskant zijn.

Honden die samenleven of elkaar ontmoeten schatten elkaars sterkte in. Is het verschil qua formaat en karakter groot, schat de zwakste dat verschil goed in en geeft hij toe, dan ontstaat er een dominantieverhouding tussen die twee. Een andere mogelijkheid is dat de zwakkere vlucht. Geeft de zwakkere niet toe, dan is de kans op een fysiek conflict zeer groot.

Als van de twee honden Apie en Japie, Apie een hoge houding heeft ten opzichte van Japie en Japie een lage ten opzichte van Apie, Apie meestal de speeltjes wint, Apie meestal agressieve conflicten wint, Japie vaker voor Apie wegloopt of wijkt dan omgekeerd en Apie vaker het bot kan behouden dan Japie, dan kan de relatie worden beschreven als: hond Apie is dominant over hond Japie.

Soms wint de ene hond, soms de andere..
Bij onduidelijke dominantieverhoudingen (wat vaker voorkomt dan zomaar in 5 minuten is te beoordelen!) is de houdingscommunicatie voor beide honden gelijk, ze tonen allebei een hoge of neutrale houding. Snelle inschatting van de dominantieverhouding is moeilijk, de onduidelijkheid kan maximaal zijn. Soms wint de ene hond conflictjes of spelletjes, soms de andere. Dit komt het meest voor bij honden van hetzelfde ras, geslacht en leeftijd. Dan is immers de ongelijkheid tussen de honden het geringst.

Tussen elk tweetal honden ontstaat een dominantieverhouding, ook tussen elke combinatie van mens en hond. Zijn binnen een gezin meerdere personen en een hond (of meerdere honden) aanwezig dan kan ook een rangorde aanwezig zijn. Een rangorde kan zichtbaar gemaakt worden door na te gaan wie uitwijkt voor wie, wie het vaakst zijn zin krijgt en door (bij de hond) naar de houdingscommunicatie te kijken. Het kan daarbij voorkomen dat in een gezin met honden duidelijke dominantieverhoudingen bestaan, maar geen duidelijke rangorde. Bijvoorbeeld: ma is de baas over de hond, de hond is de baas over pa, maar pa is de baas over ma. Een dominantieverhouding is iets anders dan een rangorde. Van een rangorde is pas sprake als de dominantieverhoudingen zo in elkaar zitten dat de leden van de groep zonder meer onder elkaar teordenen zijn, van boven naar beneden. Zonder omkeringen, zoals in het voorbeeld.

Dominantieverhoudingen tussen honden kunnen ingeschat worden door op de houdingscommunicatie te letten. De hond die er relatief het hoogst bij staat is dominant. Hoe groter het verschil in houding, hoe duidelijker de dominantieverhouding is en hoe groter het verschil in positie tussen de honden. In het geval van baas-hond relatie, geldt dat als een hond bij het benaderen van de baas of het benaderd worden door de baas geen houdingsverlaging toont, dit kan duiden op een onvoldoende onderdanig zijn van de hond. Het spreekt voor zich dat men hierbij altijd rekening moet houden met de rastypische eigenschappen van houding van staart en oren. Sommige honden hebben nu eenmaal in hun bouw dominante elementen (staart op de rug, staande oren, uitstaande vacht), andere zien er met hangende oren en een afhangende staart van nature al onderdanig uit.

Het belang van een duidelijke dominantieverhouding tussen mens en hond is groot. Als de hond ondergeschikt is, is hij makkelijker te trainen, makkelijker bij te sturen in het geval van een probleem, minder geneigd agressief af te reageren, en minder snel geneigd om conflicten aan te gaan.

(wordt vervolgd)