Gedrag en temperament van honden (1)
Auteur: Drs. Hennie J.C. Dubbeldam
Gedrag begint direct na de geboorte: de kop beweegt zich over de bodem van het nest, op zoek naar de melkbron. Daarnaast doet een pasgeboren pup aan het zogenaamde 'melktrappen', waarbij hij afwisselend met de voorpootjes tegen de melkklier duwt, en zet hij zich met zijn achterpootjes krachtig af tegen de bodem van het nest om zo met zijn snuit tegen de tepel aan te duwen, wat de melkproductie opwekt.
Deze drie gedragingen komen voort uit het zenuwstelsel en worden ook wel erfcoördinaten genoemd.
Het gaat om aangeboren bewegingsimpulsen die leiden tot de drie zichtbare gedragingen van hoofd, voorpoten en achterpoten. Hiervoor zijn geen prikkels van buitenaf nodig. De warmte van de moederhond waarnaar de pup zich richt, speelt slechts een sturende rol. Over het algemeen wordt dit gedrag als instinct aangeduid.
De eerste levensminuten zijn zeer belangrijk, uiteraard voor de pup maar ook voor de fokker. Immers, in die eerste levensminuten van de pup krijgt de fokker een nooit meer in te halen mogelijkheid om zijn aangeboren levenskracht (ook wel biotonus genoemd) te beoordelen, als aanwijzing voor de vitaliteit die hij zal hebben als volwassen hond.
Een in perioden vastgepinde indeling in ontwikkelingsfasen doet niet helemaal recht aan de verschillen die tussen individuen en rassen bestaan. Maar er is in de ontwikkeling van de pup wel een volgorde in de tijd te herkennen. Het is dus goed om in het achterhoofd te houden dat de genoemde tijdvakken een gemiddelde aangeven, dat per hond en per ras iets kan afwijken.
De gedragslijn bij de hond ontwikkelt zich dus in een aantal te onderscheiden fasen.
De eerste fase is de vegetatieve. Die speelt zich af gedurende ongeveer de eerste veertien dagen. In de eerste weken van zijn leven is er maar één ding belangrijk voor de pup, en dat is: groeien. Eten en slapen voeren dan ook de boventoon. Een gezonde pup kruipt in kringetjes rond om de bron van het eten te vinden. Onderzoek heeft uitgewezen dat reukzin al aanwezig is. Smaakwaarneming van honden wordt hoofdzakelijk bepaald door reukzin. In deze periode zijn de pups solitair; met nestgenoten hebben ze niet echt contact.
De overgangsfase, de derde levensweek, begint met het opengaan van de oogspleetjes. Gehoor- en gezichtszintuigen worden actief, waardoor de pup contact krijgt met zijn omgeving. De eerste waarneembare gedragsvormen ontstaan. De overgang van het zuig- en slaapstadium naar het actief ontdekken van de directe omgeving verloopt tamelijk snel. Van sociaal gedrag is in deze fase nog geen sprake. Wel ontwikkelt zich het 'tegen de bek stoten' van de pup bij de moeder, wat een belangrijk gedragsverschijnsel is. Allereerst is het vragen om voedsel, waarbij bedacht moet worden dat in het wild levende hondachtigen zo hun jongen bijvoeren: ze braken voor de pups halfverteerd voedsel op. Vanuit dit vragen om eten groeit het 'bek aanstoten' uit tot het 'mondhoekstootje', wat een uiting van genegenheid en een begroetingsritueel is.
Lang niet alle rashondenmoeders kennen nog de gewoonte om voedsel voor hun pups uit te braken, dus heel wat pups doen dit bekstoten zonder dat ze daarvoor ooit werden beloond met eten. Dat alle honden dit desondanks doen geeft aan dat het terug is te voeren op een aangeboren prestatievermogen, op erfcoördinaten die in werking treden los van ervaring.
In de volgende levensfase, van ongeveer vier tot zeven weken, komen de zintuiglijke vermogens tot volle ontwikkeling. De pup kan nu zijn waarneming via neus, oren en ogen precies richten. Hij gaat beweging, snelheid, behendigheid en zekerheid ontwikkelen en is in dit stadium uitgesproken nieuwsgierig en leergierig. Het is een waardevolle en belangrijke periode in het leven van de pup, waarin een nauwkeurig begrensd en aan tijd gebonden leerproces plaatsvindt.
In deze tijd wordt ook de basis gelegd voor de verhouding tot de mens. Wat de pup in deze weken beleeft is voor later van onschatbare betekenis.
Van de achtste tot de twaalfde week ontstaat de beste sociale band met soortgenoten. Het gedragspatroon van de pup wordt in deze tijd gekenmerkt door vechtspelletjes. De sociale rem op agressief gedrag wordt zowel instinctmatig als door ervaring gevoed. Hij oefent met het leren kennen van zijn eigen kracht en in het beheersen hiervan. Langzaam maar zeker worden hem de regels duidelijk waardoor beschadigen van soortgenoten wordt vermeden. Deze sociale rem krijgt later een bijzondere betekenis.
In de periode tussen acht en twaalf weken ontwikkelt zich het sociale gedragspatroon. Het is dan ook de ideale periode om de pup te leren sociaal om te gaan met de mens.
Het aangeboren instinct van de hond biedt onvoldoende aanknopingspunten om goed met hem om te kunnen gaan. Het is belangrijker om zijn aan leeftijd gebonden leervermogen te analyseren en te observeren hoe hij zich door de verschillende levensfasen heen ontwikkelt, waarin zich zijn persoonlijkheid vormt. Een hond is nu eenmaal een leerdier. Daarom is het zo belangrijk om aandacht te besteden aan zijn sociale ontwikkeling en gedrag. Hoe sterk en hecht de band tussen hond en mens zal zijn, wordt in deze socialiseringsfase onherroepelijk bepaald. Dit legt de basis voor bijna alle toekomstige eigenschappen van de hond.
Tussen de dertiende en zestiende week is de pup druk bezig met leerervaringen op het gebied van de rangorde. De rangorde tussen de pups in het nest wordt al in de eerste weken bepaald. Het is niet zo dat de pup die zich lichamelijk het sterkst ontwikkelt ook in rang de hoogste wordt, en wie zich het zwakst ontwikkelt in rang de laagste zal zijn. Rangorde is niet alleen een kwestie van lichamelijk ontwikkeling, ook psychisch overwicht speelt een belangrijke rol. Imponeergedrag, ervaring, en ouder zijn kunnen zorgen voor dat psychische overwicht.
Op een zeker moment - daar zit per ras en per hond verschil in, waarbij ook de omstandigheden een rol spelen - komt de hond in de pubertijd. Die is te verwachten vanaf de zevende levensmaand. De lengte van de pubertijd ligt niet vast. Hij kan maandenlang duren, honden die daarmee te maken hebben zijn laat geslachtsrijp. Na de pubertijd wacht de volwassenheid. Een hond die geslachtsrijp is, is over het algemeen ook lichamelijk volwassen. De psychische volwassenheid is bij Ierenteven zo rond de 2, 2,5 jaar. Bij de reuen is dit zo rond de 3 jaar. (wordt vervolgd)
* Hennie Dubbeldam is gedragskeurmeester